Welke damesschoenen kies je voor lente en zomer
Een schoen voor lente en zomer onderscheidt zich door de constructie: een open of geperforeerd bovenwerk, weinig of geen voering, een dunne flexibele zool en een lager totaalgewicht dan een winterschoen. Bij damesschoenen voor lente en zomer is juist die verlichting wat het mogelijk maakt de hele dag op de been te blijven: in de zomer verandert de voet in de loop van de dag van volume, en een schoen die geen lucht doorlaat wordt veel eerder oncomfortabel dan in de winter.
Open schoenen zijn niet allemaal gelijk; je kiest ze op hoe stevig ze de voet vasthouden. De sandaal met enkelbandje is de stabielste en de juiste keuze voor wie veel loopt; muiltjes laten de hiel vrij, schiet je in een seconde aan en passen bij dagen waarop je voortdurend in en uit huis loopt; de espadrille met touwzool is veruit de lichtste, maar kan niet tegen water en droogt traag. Alle hakhoogten en alle sluitingen staan bij elkaar op de pagina met damessandalen.
Niet de hele lente is warm, en lichte dichte schoenen dekken de overgangsmaanden. De ballerina van dun leer en de ongevoerde loafer draag je op blote voeten of met een onzichtbaar sokje; de slip-on met elastische inzetten volgt de zwelling van de avond zonder te knellen; canvas en mesh ademen waar leer afsluit. Dit zijn de schoenen die de aprilregen en koele juniochtenden beter doorstaan dan een sandaal, en de ruimste keuze vind je bij de dames sneakers.
De hoogte van de hak telt minder dan het vlak waarop hij steunt. Een blokhak van 6 cm staat stabieler dan een naaldhak van 4, omdat hij het gewicht over een breder vlak verdeelt; de spoelhak, smal in het midden en uitlopend aan beide uiteinden, is de tussenweg en houdt goed stand op vlakke ondergrond; sleehak en flatform geven hoogte en houden de voet daarbij bijna vlak, doordat ze ook de voorvoet optillen. Op grind, houten vlonders of kinderkopjes voel je het verschil tussen deze oplossingen al bij de eerste stap.
Zomermaterialen kies je in het besef van hoe ze verouderen. Suède is zacht en ademend maar krijgt vlekken van water en moet droog geborsteld worden; glad leer veeg je schoon met een vochtige doek en is in dagelijks gebruik het vergevingsgezindst; raffia, touw en gevlochten katoen wegen bijna niets en blijven koel, maar slijten het eerst aan de randen. Zolen van lichte rubber of EVA dempen op heet asfalt en hebben geen last van zand; leer, eleganter en stugger, glijdt op natte ondergrond tot het een beetje is ingelopen.
De maat van een zomerschoen controleer je aan het eind van de dag, niet 's ochtends. Bij warmte zet de voet een paar millimeter uit en een open model moet voor en achter speling laten, zonder dat de tenen over het voetbed steken. Verstelbare bandjes, elastiek en veters halen een halve maat verschil terug; een muiltje niet, want dat blijft alleen zitten door de wrijving van de band, en daarom kies je het strakker dan bij het eerste passen nodig lijkt.